Het ontstaan van Tuinstad-Staalwijk

De geschiedenis van het gebied waar we nu de Tuinstad-Staalwijk vinden, begint in de middeleeuwen.

Rond het jaar 1000 is, naar wordt vermoed, het dorpje Zoeterwoude ontstaan vanuit een oudere nederzetting aan de Rijn: Zwieten (Suetan), dat in oude bronnen wel genoemd wordt, maar waarvan geen spoor meer te vinden is. Ongeveer 100 jaar later ontstond de nieuwe nederzetting Leiden, een marktplaatsje op de zuidelijke oever van de Rijn, tegenover de Burcht als een versterking op de westpunt van het Waardeiland, zoals het hele eiland tussen Oude en Nieuwe Rijn vroeger heette. Het plaatsje lag gunstig, op een knooppunt van waterwegen waaronder de Vliet, die de nieuwe nederzetting met het zuiden van het graafschap Holland verbond. De nieuwe marktplaats kreeg rond 1200 stadsrechten en werd bovendien door de graven van Holland tot bestuurlijk centrum van de streek gemaakt. Maar de stad Leiden ontwikkelde zich vooral toen de textielnijverheid zich begon te ontplooien. In de 14e en 15e eeuw groeide het regionale marktplaatsje uit tot een internationaal nijverheidscentrum. Het befaamde Leidse laken vond aftrek in grote delen van Europa.

Voor de bewoners van dorpen als Zoeterwoude was Leiden echter vooral van belang als marktplaats en afzetmarkt. Daar werden de producten verkocht die het nieuw ontgonnen gebied opleverde. In de eerste plaats waren dat vee en zuivelproducten - het veenweidegebied was vooral geschikt voor veehouderij. Die producten waren nodig om de stedelingen te voeden, maar via de Leidse markt werden ze ook verder weg verhandeld. Daarnaast was er de turf die in het veengebied gewonnen werd, de voornaamste brandstof voor de stedelingen en hun nijverheid. Maar in de stad kon men ook dingen kopen die men op het platteland weliswaar nodig had, maar niet zelf kon maken, en natuurlijk luxegoederen. Ook voor andere zaken moesten de dorpsbewoners naar de stad: alleen daar vond men vroeger een notaris en een (echte) dokter.

Via de Vrouwenweg en de Vrouwenvaart gingen de mensen uit Zoeterwoude, Benthuizen en Zoetermeer te voet of met een schuit tot aan Lammen. Kwam men per schuit, dan voer men verder over de Vliet de stad in. Over land boog de weg af van de Vliet en liep deze verder over de route van de huidige Herenstraat. Deze heette indertijd nog 'de wech na Soeterwou', terwijl het laatste stuk bij de stad 'Hoeflaan' werd genoemd. Oorspronkelijk, voor de stadsuitbreiding, liep de Hoeflaan waarschijnlijk met een bocht naar de stadspoort bij de Breestraat (later bij de Hogewoerd). Deze route was niet meer beschikbaar na de stadsuitleg van 1386, waarbij met toestemming van de graaf Leiden haar stad in het westen en zuiden heeft uitgebreid ten kostte van Zoeterwoude. De Witte Singel, Zoeterwoudse Singel (tot aan de huidige Lammenschansweg) en Geregracht werden gegraven als nieuwe verdedigingsgrachten, die de oude vestinggrachten Rapenburg en Steenschuur (reeds in de 13e eeuw gegraven) als zodanig vervingen. Waar de oude weg de nieuw gegraven stadsgracht kruiste, werd een nieuwe stadspoort, de Koepoort. Die werd voor het eerst vermeld in 1400.

Het gebied buiten de Koepoort lag weliswaar in het ambacht Zoeterwoude, maar de stad Leiden bezat er wel grond en maakte daar ook gebruik van. Een strook aan de singel tussen de huidige Herenstraat en Lammenschansweg werd een tijd gebruikt als oefenterrein (ofwel Doelen) door de hand- en voetboogschutters van de twee Leidse schuttersgilden. De schutterij bestond uit gewapende burgers, die de openbare orde handhaafden en in tijd van nood de stad konden verdedigen. Toen het speciaal voor de Doelen bestemde terrein binnen de nieuwe stadsgrenzen, het huidige Doelenterrein tussen Witte Singel en Doelengracht, gereed was, verhuisden de schuttersgilden daarheen.  In 1452 gaf het stadsbestuur een andere bestemming aan het terrein: het werd raamland. Dat hield in dat er houten ramen werden geplaatst, waarop geweven wollen stoffen werden opgerekt. Op het raam werden de stoffen vaak ook van onregelmatigheden ontdaan. Het raamland werd in 1516 uitgebreid, waarna het zich uitstrekte van de singel to tongeveer de huidige Bloemistenlaan. Om de ramen en de kostbare wollen stoffen te beschermen, werd aan de Hoeflaan (Herenstraat) een muur gebouwd, terwijl het gebied verder door sloten was omgeven. Aan de binnenzijde werden bovendien doornhagen geplaatst. Uiteindelijk kreeg Leiden in 1585 in het raamland (dat nog onder de jurisdictie van de ambachtsheer van Zoeterwoude viel) stadsvrijheid, wat wil zeggen dat hier de Leidse wetten en regels golden en niet die van Zoeterwoude.

Behalve het raamland bezat Leiden hier meer grond, namelijk tussen de Herenstraat en de Naakte Sluis - de plek waar de Vliet in de Witte Singel stroomt, tegenwoordig Neksluis genoemd. Al in 1417 verhuurde het stadsbestuur deze grond aan Leidse burgers als tuin, als groentetuin om precies te zijn. De groentekwekers - warmoezeniers - gebruikten stadsafval als mest. De groenten werden op de Leidse markt verkocht. Rond de hele stad verschenen warmoeslanden en boomgaarden. Zo ook tussen de weg naar Zoeterwoude en de Vliet. Aan het eind van de 16e eeuw werden de groentetuinen bij de Herenstraat nog uitgebreid, deels ten koste van het raamland. Maar tegen die tijd verschenen er ook heel andere tuinen in het gebied, niet voor agrarisch gebruik maar voor ontspanning en recreatie.

Het beleg van Leiden in 1573 en 1574 ging niet ongemerkt voorbij aan het gebied buiten de Koepoort. Zoals gebruikelijk in tijden van oorlog werden in de omgeving huizen en opstallen gesloopt en bomen gekapt, zodat de vijand zich nergens kon verschansen en de verdedigers een vrij schootsveld hadden. Na het Ontzet werd het land -  dat ongetwijfeld ernstig geleden had doordat alles onder water was gezet - langzaam maar zeker weer in gebruik genomen. Lang niet elke groentekweker was in staat zijn tuin weer op orde te brengen. Er kwamen nieuwe grondeigenaren tussen de Herenstraat en de Vliet. De meesten waren afkomstig uit de welgestelde burgerij van Leiden.

De geschiedenis van Tuinstad-Staalwijk is beschreven door Cor Smit.