Gerrit van der Laanstraat

Het is avond, zondagavond om precies te zijn. En de wereld ziet er uit, zoals ze eruit hoort te zien op een zondagavond in Tuinstad-Staalwijk. Ik sta op de Andries Schotkade, z’n naambordje verborgen tussen de takken. Hij is al aan de beurt geweest. Ik beschreef hem toen als een landelijke weg, groen en rustig, zo midden in de stad. Achter me de rinkelende bellen, de trein niet zichtbaar, maar hoorbaar passerend. Ik heb begrepen, dat het spoor vergunning heeft voor het kappen van 40 bomen. Dat lijkt vast een heel goed plan, als je zo achter je bureau ergens in een kantoortuin je zinnen aaneenrijgt tot een beleidsnotitie. Ik ken het, doe het ook, metandere onderwerpen op een andee plek. Maar als je hier staat, is het geen goed plan. Als je hier staat, blijkt dat die bomen, dat groen, die bewegende takken, die bijbehorende vogels, dat dat alles goed is, zoals het is. Prachtig eigenlijk.

Ik draal aan het begin van de Gerrit van der Laan. Ik wacht nog wat om hem in te gaan. Het is als het ware nog een maagdelijke straat. Er daadwerkelijk in gaan, zou iets doorbreken. Ik wil het nog niet. Over de spoorwegovergang rijdt bus 31. Een vertrouwd beeld. De bus is begonnen diep in Zuid West en zal straks de kust bereiken in Katwijk aan Zee. Gisteren in het Leidsch Dagblad las ik dat – bij de invoering van de Rijn Gouwe Lijn – de bus helemaal uit de wijk zal verdwijnen. Toen ik hier een jaar of tien geleden kwam, reden er zes bussen per uur naar de stad, het station; kort daarna vier; nu nog twee. Straks geen enkele. Tja, dat schijn je over te moeten hebben voor de verbetering van het Openbaar Vervoer. Want daar is alles om begonnen: de verbetering van het OV. En dan moet je niet zeuren, als er straks geen bus meer komt.

Ik blijk – zo hier aan het begin van de Gerrit van der Laan – een zeker conservatisme te hebben ontwikkeld. Ik wil graag dat dingen blijven zoals ze zijn: de bomen aan de Andries Schot, de bus door de wijk. Is dat erg: conservatisme? Ik besluit het te aanvaarden. Dan loop ik de Gerrit van der Laanstraat in. Eindelijk.

De straat is krom, erg krom. Is het handelsmerk van de Leeuwkenstraat de poort aan het eind, de essentie van Van der Laan is de kromming: een soort boemerang is het. Rechts staat het wagenpark. Een auto rijdt langzaam de straat in, maar negeert drie prachtige parkeerplaatsen en rijdt ook langzaam de straat weer uit.

In de huizen speelt het zondagavondleven zich af. Het bestaat uit lampen, die ruimtes verlichten: sfeervol en zacht, of dringend, vol werklust. Het bestaat uit de meubelen, die hun rol spelen, vulling geven, plek bieden aan boeken, aan plantjes, aan kleine voorwerpen, die hun volledige waarde ontlenen aan het feit dat ze er zijn. Het bestaat uit bewegende beelden op de televisietoestellen, van buitenaf bekeken zijn het abstracte beelden, zich doorlopend wijzigende schilderijen. En er zijn mensen in de huizen, in hun zondagavondbestaan, waar ze zitten en iets drinken, waar ze even opstaan om iets te pakken, waar ze peinzen of praten, zich niet bewust van de buitenwereld, laat staan van het eit dat ze decor zijn in een column.